Historiek en WO1

DE GESCHIEDENIS VAN HET DOMEIN DE PALINGBEEK

 

Uit “Golfnews” van 1993 door Geert Van Hulle

 

I. Vervolgverhaal 1914: op en rond de Palingbeek

Ons Golfterrein ”De Palingbeek” bevindt zich in een domein dat een zeer bewogen geschiedenis heeft gekend.

Wij hebben dus geoordeeld dat het onze leden en bezoekers zal interesseren meer hierover te vernemen. Daarom zullen we in dit en de eerstvolgende nummers de geschiedenis van ”De Palingbeek uit de doeken doen.

Vanzelfsprekend denken we in de eerste plaats aan wat zich hier in de eerste maar ook in de tweede oorlog heeft afgespeeld.

Bij de aanleg van het golfterrein heeft onze aannemer geen kruiwagens, maar karren vol oorlogstuig weggevoerd. 75 jaar later kunnen we ons moeilijk nog voorstellen wat hier gebeurd is, Het onnoemelijk en onbeschrijfelijk leed van zoveel jonge mensen dwingt ons respectvol deze en volgende lijnen neer te pennen

Om te begrijpen wat de ”Ypres salient" betekent, moeten we echter eerst even de voorgeschiedenis in herinnering brengen. In deze eerste aflevering houden we het dus nog bij de algemene lijnen om ons dan in de volgende edities meer te concentreren op deze sector van "The great war”.

Men spreekt steeds over de 4 slagen van Ieper, waarvan de 3e slag de grootste en vreselijkste geweest is. Precies 75 jaar geleden was deze streek het toneel van een der grootste veldslagen uit de wereldgeschiedenis en heel wat feiten speelden zich eigenlijk in de sector van de Palingbeek al.

Het begon uiteraard allemaal met de onverwachte inval in België door de Duitse troepen van Keizer Willem. De Britse en franse troepen komen het zwakke Belgische leger ter hulp, doch Antwerpen valt reeds op 9 oktober 1914 en de geallieerden trekken zich achteruit op de lijn IJzer-Ieper-Komen. Weinigen weten dat een deel van het Duitse leger (het 4e ruiterijkorps) reeds op 7 oktober door Ieper was getrokken en slechts op de Katsberg kon worden tegengehouden en teruggedreven tot aan de vaart Ieper-Komen, dus tot aan de Palingbeek.

De Britten bezetten Ieper, de belgen trekken zich terug achter de IJzer en oostwaarts nestelen de fransen zich aan een front dat slechts weinig verschuiving zal kennen gedurende de volgende 4 jaren. Het front loopt nu van de Noordzee (Nieuwpoort) voorbij Ieper en dwars door Frankrijk tot aan de zwitserse grens, ongeveer 750 km lang.

De fameuze "Ypres Salient", ”'Le Saillant d'Ypres” is gevormd.

Wat is nu deze ”Salient” waarover steeds gesproken wordt? Dit is de cirkelvormige bezetting van de hoogten rondom Ieper, waardoor Ieper dus in feite naar 3 kanten moet worden verdedigd, wat uiteraard een minder gunstige strategische positie betekent.

Inderdaad, de frontlijn loopt over Bikschote, ten noorden van Langemark, oostelijk van Zonnebeke, Geluveld Zandvoorde, Hollebeke en ten oosten van Mesen, Ploegsteert bos en Armentières. Vandaar de pogingen van de Britse legerleiding om deze ”cirkel” recht te trekken wat in feite de derde slag van Ieper 1917 zal worden.

Doch we lopen nu wel even vooruit in de geschiedenis. De eerste slag bij Ieper grijpt plaats in oktober en november 1914. De Duitsers lanceren een reeks zware aanvallen om Ieper te veroveren en aldus de doorbraak naar het kanaal te verwezenlijken. Dat deze gevechten uitermate hevig zijn geweest blijkt uit het aantal doden, vermisten en gekwetsten alleen al in Britse rangen, nl. 60.000! Toch zijn de Duitsers op 22 november een stuk dichterbij de stad gekomen, vooral ten zuiden van Ieper. Daar zijn ze tot aan Sint Elooi gekomen. Dit is de wijk die u vindt als u uit onze parking rechts rijdt, dan links voorbij het Eikhof tot aan de grote baan Armentières Ieper. De frontlijn lag hier dus op nog geen 5 km van de stad.

Het einde van de eerste slag van Ieper wordt gekenmerkt door de vernietiging van de trots van het middeleeuwse Ieper, nl de Lakenhalle.

 

De tweede slag bij Ieper komt er in het voorjaar 1915 en brengt de vijand ten oosten van Ieper ook op nauwelijks 5 km van de stad. De gevechten concentreren zich rond Hill 60, een hoogte van, 60 meter boven de zeespiegel en gelegen tussen de Palingbeek en Zillebeke. Verwoede gevechten grepen hier plaats en een zestal kerkhoven rond Hill 60 zijn de stille getuigen van de grote ellende die hier werd doorstaan. Van Britse zijde alleen telt men opnieuw 60.000 doden, vermisten en gekwetsten. Vanaf nu tot aan de grote slag van 1917 heerst er een betrekkelijke rust op het Iepers front en het gros der Duitse troepen is actief op het front rond Verdun, de Somme en de Champagne

Zo komen we aan de meest verschrikkelijke drie maanden augustus, september en oktober 1917 die men op het Iepers Front meemaakteen die als de derde slag bij Ieper de geschiedenis zijn ingegaan.

In de voorbije twee jaren hebben de Duitsers zich werkelijk ingegraven rondom Ieper. Honderden bunkers vormen een ondoordringbare gordel en vanuit hun hoogten hebben de Duitsers een belangrijk strategisch voordeel op de lager gelegen Britten en fransen.

Het heroveren van deze hoogten is het onmiddellijk doel en wellicht ook de doorbraak naar de kust en het uitschakelen van de U boot basis van Zeebrugge.

Op 17 juni ontploften 19 dieptemijnen onder de Duitse stellingen te Wijtschate en Mesen en van de verwarring maken de Britten gebruik om tot aan de steenweg Ieper Waasten door te stoten. Om zich een idee te vormen van de kracht van deze ontploffingen moet men eens een nog bewaarde krater gaan bekijken en wel in Spanbroekmolen.

Dan beseft men wat 420.000 kg dynamiet kan uitrichten. Het gedreun van deze ontploffing kon worden gehoord tot in Londen.

Terloops weze vermeld dat de 20e mijn slechts in 1955 vanzelf tot ontploffing is gekomen en dat de 21e mijn nog steeds moet ontploffen. Men weet ongeveer waar dit ooit zal gebeuren doch de juiste plannen zijn verloren gegaan.

Op 31 juli 1917 start dan de derde slag van Ieper, nadat 4.283.550 obussen die meer dan 107 miljoen kg wegen op de vijandelijke stellingen zijn afgevuurd geworden. Dit heeft tot gevolg dat het bodemoppervlak volledig uit elkaar gerukt is en bij regen een echte hindernis zal worden. En wat niet gepland was. gebeurt: het begint non stop te regenen‚ zo erg dat men 14 uur nodig heeft om een gewonde te evacueren!

De tanks zinken weg in de modder. De muilezels, die de obussen aan brengen. komen met moeite door de putten met water gevuld, kortom het zijn verschrikkelijke maanden tot 10 november. Het resultaat: 7 km terreinwinst ten koste van 270.000 verliezen alleen langs Britse zijde.

In april 1918 tenslotte proberen de Duitsers een laatste doorbraak naar het Kanaal. Ploegsteert-Mesen-Wijtscbate worden bereikt en de Britten moeten zich tot op 2 km van Ieper terugtrekken. Na twee weken rust begint de slag van de Kemmelberg die door de Alpentroepen uit Beieren wordt veroverd.

Loker wordt veroverd en de Duitsers komen reeds tot aan de weg naar Westouter; Ieper is dus praktisch rondom rond ingesloten. De fransen slagen er echter in de Duitsers achteruit te slaan en deze situatie blijft nu nagenoeg ongewijzigd tot aan het eindoffensief van november dat eindigt met de wapenstilstand van 11 november. Precies om11

uur zwijgen de kanonnen. doch de gehele streek rond Ieper ligt er desolaat en verwoest bij. Van de dorpen blijven alleen nog ruïnes en de hoogste steenhoop duidt aan waar ooit de kerk heeft gestaan.

De velden zijn volledig ongeschikt voor landbouw of veeteelt omwille van de duizenden, ja zelfs honderdduizenden onontplofte obussen en heel veel boeren en ijzerrapers zullen er nog hun dood aanhalen. De kraters en loopgrachten moeten weer worden geëffend, alle huizen heropgebouwd, de gevluchten komen terug en in miljoenen gezinnen treurt men om het verlies van een of meerdere zonen.

Tot daar een algemeen overzicht van het westelijk front 1418. In de volgende uitgaven gaan we na wat er zich hier op de Palingbeek, op het ”white château” afspeelde gedurende deze 4 jaren.

 

II. Vervolgverhaal 1914: op en rond de Palingbeek

In ons herfstnummer hebben we in grote lijnen de geschiedenis van de Ypres Salient geschetst.

Nu beperken we ons tot wat zich op en rond de Palingbeek afspeelde in de eerste slag van Ieper, maar hoe de ”boys" dag in dag uit leefden en ploeterden zullen we ook trachten weer te geven, al is het zeer moeilijk om de hopeloze ellende van het frontleven onder woorden te brengen.

 

18 oktober  - 17 november: de Duitse keizer wil er dicht bij zijn als zijn troepen de doorbraak naar het kanaal forceren en heeft zijn hoofdkwartier in Tielt gevestigd. Doch men heeft de weerstand der Belgen en Fransen onderschat en vooral dit: dankzij het openen der sluisdeuren bij hoogtij stroomt het water de lagergelegen IJzervlakten binnen. Het is sluiswachter Geeraert die de operatie tot een succes maakt. De man zal later zijn portret krijgen op de briefjes van 1.000 fr.. De Duitsers blijven echter drukken en zetten een geweldig offensief in op 30 oktober. Terwijl de Belgen, bijgestaan door het water de noordelijke stoot opvangen, moeten de Britten ’s anderendaags Geluveld prijsgeven Onder de enorme druk van 15 divisies moeten Hollebeke, Mesen en Wijtschate worden prijsgegeven en als deze eerste slag van Ieper op 17 november eindigt, likt elke partij zijn wonden. De verliezen waren zeer hoog. De fameuze Britse 7'° divisie verloor 4/5 van haar effectieven.

Doch bekijken we dit even van nabij: Deze 7e divisie was al sinds 1 maand en zonder één dag rust in actie en door hevige verliezen moest haar frontlijn ingekort worden. De 1e divisie nam haar taak in Geluveld over en hield twee dagen stand tegen een viermaal sterkere vijand. Op 31 oktober echter was de Duitse overmacht zo sterk dat men er serieus aan dacht Ieper op te geven, toen plots in de namiddag als bij mirakel een regiment, de bajonet op het geweer, Geluveld heroverde zodat de frontlijn hersteld kon worden. Dit fameuze regiment was dat van de 2e Worcesters.

Het gevecht ging verder op 1 november, en voor de Franse versterking de cavalerie van Ailenby kon bereiken, werd Hollebeke door de Duitsers veroverd. Pas aangekomen troepen de ”London Scottish Territorials" vochten als veteranen en konden op 2 november Wijtschate heroveren doch dit dorp ging opnieuw verloren, en zou in Duitse handen blijven tot 1917.

Tot 6 november beperkt de oorlog zich hier tot artillerievuur maar dan breekt de hel weer uit, met een aanval op Klein Zillebeke. De Fransen snellen de uitgeputte Britten ter hulp. Met onvoorstelbare moed begon de Pruisische garde op 11 november een laatste poging om Ieper te veroveren.

”Neem Ieper in of sterf" zo luidde het parool en met de hete adem van de keizer in de rug, kan men begrijpen hoe deze gedisciplineerde soldaten met honderden tegelijk de dood tegemoet traden.

Het slechte weer brak uiteindelijk op 17 november deze waanzin. Tegenover de 60.000 slachtoffers langs Britse zijde telde men er 150.000 bij de Duitsers! ’s Keizers droom van een gemakkelijke doorbraak was hiermee voorgoed gebroken.

Hoe verliep nu deze eerste slag van Ieper bepaald hierop ons golfterrein?

Een antwoord hierop brengt ons het zorgvuldig bijgehouden relaas van Mr. Jean Cossart, zelf oud-strijder van ’14-'18 en neef van de toenmalige eigenaars van het domein, de familie Mahieu. Jean Cossart was pas afgestudeerd aan de beroemde militaire school van Saint-Cyr toen de oorlog uitbrak en vervoegde net als Michel Mahieu de luchtmacht.

Rechts van de fairway van hole 18 ziet men nog de overblijfsels van wat ooit het prachtige kasteel geweest is van Madame Mahieu née Ferry, jonge weduwe van 34 jaar met haar twee enige zonen die trouwens zouden sneuvelen ni. Auguste en Michel. Michel viel nabij Verdun op 22 februari 1916 en vliegenier Michel in de nacht van 2 op 3 mei 1918. Michel had 174 bombardementen op zijn palmares staan waarvan 140 nachtvluchten.

Madame Mahieu had het kasteel pas enkele jaren voor de oorlog laten bouwen in de Louis XIV stijl. Het kasteel was helemaal in witsteen opgetrokken en zou dan ook in de oorlog het ”White Chateau" genoemd worden. Tegen het einde van de oorlog bleef er van dit kasteel slechts de puinhoop over die nu zichtbaar is. Hetzelfde lot was ook beschoren aan het kasteel van haar zuster op twee kilometer hiervandaan, madame Valdelièvre, met wiens dochter Jean Cossart trouwde. Hij was het die in 1939 een nieuw kasteel liet optrekken dat een halve eeuw later zou omgebouwd worden tot ons prachtig clubhuis.

Doch terug nu naar deze eerste slag van Ieper in en rondom de Palingbeek.

Op 8 oktober 1914 bezette de Duitser ons domein tussen de hoeve Callewaert en het kleine kerkhof "Oak Dump". Slechts een week later wordt het kasteel en het park opnieuw veroverd door de Britten doch eind oktober nemen de Duitsers het opnieuw in. Hollebeke dorp werd verdedigd door een regiment Hindoes doch het dorp stond in vuur en vlam door de regen obussen die er op neer kwamen en als ’s anderendaags twee Franse bataljons reservetroepen proberen vanuit het kasteel het dorp te veroveren, moeten zij ook inbinden tegenover het grote offensief dat de Duitsers hebben ingezet. Het front plooit zich terug op de lijn Wijtschate-St.-Elooi tot aan het zogenoemde boulevard Mahieu (vlak voor de parking) en dwarst de Palingbeekvijvers en het kanaal en loopt verder richting Zandvoorde-Geluveld. Onverwacht verschijnt de Kaiser ten tonele om er bij te zijn als de laatste Belgische stad, Ieper, ingenomen zal worden.

De Fransen doen op 4 november nog een gedeeltelijk gelukte poging om het kasteel terug te veroveren, doch op 6 november valt het domein definitief in handen van de vijand en zal er in blijven  tot 7 juni 1917. Langs beide kanten graaft men zich werkelijk in en de zigzag loopgrachten van de vuurlijn dwarsen ons.

Latere luchtfoto's uit 1917 genomen uit hoog zwevende ballons, zoals ook Jean Cossart die bestuurde, tonen een landschap bezaaid met kraters van obusinslagen. inderdaad deze frontlijn werd gedurende twee en een half jaar bestookt met artillerievuur terwijl de arme piotten op slechts 50 tot 150 m. van elkaar, hun ellendig loopgrachtenbestaan sleten. De Duitsers die de hoger gelegen loopgrachten bezetten, (tot aan afslag hole 12 bv.) hadden het heel wat beter dan de Britten in de lager gelegen zompige kleigrond. De loopgrachtenoorlog zou nu beginnen. Haast ononderbroken werden grachten gedolven, loopgrachten ook tranchées of trenches genoemd.

Gedurende deze eerste winter echter was iedereen ervan overtuigd dat deze stellingen met de lente zouden kunnen verlaten worden, en er werd dus niet zoveel aandacht besteed aan het leefbaar maken ervan. De gracht was 6 tot 7 voet diep, de breedte beneden 2 tot 3 voet en boven 7 voet.

Al verbleef de infanterist veel minder in de loopgracht dan eruit, toch werd over het leven in de trenches veel meer geschreven dan over wat dan ook. De aldaar doorstane angsten, verwondingen, koude en ontbering hebben menig soldaat tot het einde van zijn dagen diep getekend. Vooral in dit eerste winterse jaar met zeer veel regen was het een grote modderpoel in de vette klei van deze streek, zodat heel wat borstweringen werden gebouwd, t.t.z. bovengrondse grachten. Gevulde zandzakjes (vaderlanders) werden met honderdduizenden opeengestapeld want deze zandzakjes vormden een ideale bescherming van de loopgracht. Het was op één van deze vaderlanders dat een zekere Adolf Hitler, korporaal en actief in de sector van de Palingbeek, zijn liefje schilderde. Dit deed hij weliswaar niet toen hij in de eerstelijn,  - de vuurlijn - dienst deed, wel op rust in Ardooie, alwaar hij ook de kerk tekende. Weinigen weten dat Adolf bij deze mooie Vlaamse meld een zoon verwekte, die in de verwarring na de oorlog met zijn moeder mee sukkelde naar Frankrijk en lange tijd in St.-Quentin woonde.

Doch terug naar onze loopgraven waar noch de voortdurende angst voor een vijandelijke kogel of obus, noch de modder de enige plagen van Egypte waren. Integendeel er waren ook de luizen, vlooien en ratten. iedereen had vlooien en desinfecteren van de kleren hielp weinig, want de eitjes waren er niet door gedood.

Doch velen werden er echt ziek van, de zogenaamde trench fever, loopgravenkoorts. Deze begon met acute pijn gevolgd door hevige koortsaanvallen. Overal waren er ratten, soms zo groot als een kat en het is meermaals gebeurd dat slapende soldaten werden gebeten. Vele soldaten hadden meer schrik van deze ratten dan van het vijandelijke vuur. Er waren de grote bruine rat en de kleinere zwarte. De bruine rat was dol op mensenvlees, en hun voorkeur ging uit naar ogen en lever. Een paar ratten bracht per jaar 900 jongskes voort, zodat het niet overdreven klinkt als men leest dat er tientallen miljoenen ratten op dit westerse front woekerden.

Een ander groot ongemak voor de frontsoldaat was de voortdurende stank van lijken in ontbinding. Vlug begraven soldaten werden soms door obusinslagen weer opengereten, (in de ergste gevallen waren 7.000 lijken per vierkante mijl begraven!)maar ook de primitieve latrines, de creasol en chloride die tegen infecties royaal werden uitgestrooid, rookbommen en munitie en het zweet (angstzweet) der mannen in actie. Van douches was er uiteraard geen sprake. Kortom ook dit was één der ingrediënten van dit inferno en hoe menselijk ook, maar dit wordt nogal eens vergeten als men het over de ellende van de frontsoldaat heeft.

Uit het boek ”Poelkapelle”

Toen ze terugkwamen uit de loopgraven waren het geen mensen meer, maar zwarte klompen met de gruw in de ogen, verstrooid, half waanzinnig, met monden die niets zegden doch alleen nog voor de rhum, altijd meer rhurn, belangstelling hadden. De Engelse brancardiers haalden in spoedtempo de gewonden achteruit, eerst de zwaargewonden, dan de doden, dan de Duitse lichtgewonden. Duitse zwaargewonden konden niet meegenomen worden wegens tijdsgebrek en Duitse doden werden genegeerd. De gewonden die zelf konden vooruit komen, zakten tot aan de knieën in de modder, verdwaalden ’s nachts en liepen tot ze in de prikkeldraad bleven hangen en van honger omkwamen.

En aldus gaan we de winter van 1914 in waarbij de frontlijn stabiel blijft tot de 22e april 1915. Het was volop lente, en ondanks alle oorlogsgeweld nestelden zich opnieuw vogels in de weinige nog gave bomen. Rond 17.30 u. echter zagen Britse uitkijkposten, na een hevig bombardement op de Franse stellingen, een laag hangende mysterieuze wolk noordoostwaarts trekken. De afschuwelijke gasaanvallen der Duitsers, waren ingezet, doch hierover meer in ons lentenummer.

 

III. Vervolgverhaal 1914: op en rond de Palingbeek

De gasaanvallen worden niet helemaal onverwacht ingezet op 22 april 1915 en dit om 5 u. in de namiddag. Niet helemaal onverwacht want verkenners hadden reeds vreemdsoortige bussen zien klaarmaken en Duitse krijgsgevangenen hadden ook reeds gewaarschuwd voor een nieuw wapen. De geallieerde legerleiding had deze verwittigingen in de wind geslagen en eens te meer was het de arme piot die het slachtoffer zou worden van deze "drôle de guerre”.

Totaal onbeschermd dus overviel deze gaswolk de voorste linies en veroorzaakte verschrikkelijke pijnen met de dood tot gevolg. Het gas verbrandde de kelen en de longen, en degenen die het overleefde hebben er tot het eind van hun dagen last van ondervonden.

Deze eerste gasaanval opende een zes kilometer brede bres in het geallieerde front, doch de Duitsers gebruikten deze niet om Ieper te veroveren. Enerzijds hinderde de gaswolk ook hun eigen troepen en anderzijds had de Duitse legerleiding niet kunnen denken dat een bres zo gemakkelijk zou worden geslagen. Doch daar waar de legerleiding faalde door het niet voorzien van gasmaskers, ontdekte onze arme piot al vlug, dat de ammoniak van een met urine doordrenkte vod het chiorinegas neutraliseerde. De Franse ”Poilu" moest het stellen met een bundel hooi voor neus en mond, hooi dat in sodium sulfaat was gedrenkt ! Ga zo maar de vijand bevechten, een hand voor de mond en een hand aan het geweer ! Tot midden juli eindelijk efficiënte gasmaskers het front bereikten.

Na chlorine gas kwam een meer “effectief” gas ni. Phosgene, een gas dat met vertraging een soldaat neervelde, soms 2 dagen na de aanval. Tot midden 1917 het fameuze mosterdgas op de proppen kwam, een gas dat in obussen op de vijand werd losgelaten en dat bij explosie hevige brandwonden op de huid en verbranding van het ademhalingssysteem teweegbracht. Het is van deze onontplofte bommen dat er soms nog exemplaren uit de grond komen en dan door de ontmijningsdienst worden opgehaald. Dit niet zonder gevaar want in 1986 nog werden 5 manschappen van de ontmijningsdienst gedood bij een poging om dergelijke gasbom onschadelijk te maken. Toen Sadam Hoessein mosterdgas gebruikte op de Koerden werd één ieder plots bewust van het feit dat in Houthulst 200 ton van deze bommen liggen te wachten op vernietiging. En werd een installatie van 200 miljoen fr. beloofd om deze tijdbom, die de ganse provincie bedreigt, te ontmantelen, doch hoelang is dit weeral geleden ? En ondertussen roesten deze bommen elk jaar een beetje verder door…

De gehele wereld spreekt tegenwoordig van Yperite als men het over mosterdgas heeft. De reclamejongen zou zeggen : ”promotie voor Ieper, als ze maar over je spreken”, doch de naar schatting 200.000 geallieerden en evenveel Duitse slachtoffers van dit Yperite zullen dit destijds wel niet zo hebben verstaan.

De opmars der Duitsers kon uiteindelijk door de Canadezen worden tegengehouden en wel in St.-Juliaan waar het enig mooi monument, in de volksmond ”lange Jan” genoemd, hiervan getuigt. De treurende Canadees waakt over zijn gevallen landgenoten, en vergeten we niet dat Canada hier 60.000 van zijn jonge mensen verloor, een bijzonder zware tol voor een kleine bevolking als deze van Canada toen.

Een hulde nog aan de brancardiers. Wie kent niet het ontroerende tafereeltje door Joe English getekend ”de dood van de gebroeders Van Raemdonck”. Het is het geromantiseerd verhaal van de ene broer die de gekwetste broer wil halen doch ook gekwetst wordt en zo sterven ze in elkaars armen. in het Brits leger vielen ook heel wat brancardiers doch zoals het Britten past, was ook de dienst der hulpposten uiterst secuur georganiseerd. Voor een gekwetste waren vier dragers voorzien doch in de modder van de Ypres Salient waren soms acht dragers per gekwetste nodig. Eénmaal in de loopgracht en dus enigszins veilig, werd het dragen van de gekwetste op de berrie, een niet gemakkelijke karwei want de mannen in actie hadden de beperkte plaats volop van doen. De dragers waren maar al te blij als hun gekwetste bewusteloos was, want een van pijn huilende boy trok teveel de aandacht. in de tweede of derde loopgracht was de RAP (Regimental Aid Post) ingericht waar de RMO (Regimental Medical Officer) de eerste injecties toediende, doch geen amputaties verrichtte. Dit gebeurde meer achterop in het ADS (Advanced Dressing Station). Nog meer achteruit bevond zich het CCS (Casualty Clearing Station) het divisie hospitaal waar in zware dagen tot 2.000 operaties per dag werden uitgevoerd !

Voor deze ”stretchet bearers“ of ambulanciers was het soms verscheurend te kiezen wie ze wel of niet zouden meenemen uit het slagveld, wie het meest overlevingskansen zou hebben. in de hitte van een slag en in de duisternis van de nacht bleef menig bewusteloos gekwetste verloren achter, of verdronken langzaam in de put, waarin ze beschutting hadden gezocht. Sorns werd het schieten kort gestopt om de brancardiers van beide kanten hun gewonden te laten ophalen, doch meestal gebeurde dit niet. Dan waren er de vermisten, ”blown to kingdom come" de kameraden die gedurende een bombardement in flarden werden geschoten en wier ledematen onvindbaar waren.

Sommige jongens konden de psychische druk niet meer aan en werden gek of pleegden zelfmoord. Dit gebeurde door met de mond op de loop van het geweer de trekker over te halen…

Een laatste woordje nog over een veel voorkomend geval van kwetsuur (in alle legers) aan S.I.W., de Self Inflicted Wound. Soldaten die het frontleven niet meer aankonden schoten zich een kogel door de voet. Als dit uitkwam werden deze soldaten opgesloten in Boulogne en voor het vuurpeloton gebracht.

En aldus gaat het frontleven Zijn eentonig leven verder, ook hier op ons golfterrein, slechts onderbroken door het bezoek van de Duitse kroonprins op 1.2.1916. Kort daarna doen de Duitse loopgrachtmakers een wel bijzonder eigenaardige ontdekking : ivoor inderdaad, ze botsten op 18 olifantstanden. In de annalen van de Wurttenbergse regimenten, want het waren zij die dan de Palingbeek bezetten, staat vermeld dat deze schat zorgvuldig werd overgebracht naar Brussel en overgedragen aan de dienst ”Sammelstelle Belgischen Eigentums” doch de familie Mahieu die deze tanden kort voor de oorlog had begraven, heeft ze blijkbaar nooit teruggezien want Jean Cossart hoopte ze met de hulp van een pendelaar nog terug te vinden in 1941 !

Maart 1916 betekende opnieuw zware aanvallen op St.-Elooi, hier vlakbij, met de inname ervan op 27 maart doch op 6 april valt de wijk alweer in handen van de Duitsers.

 

IV. Vervolgverhaal 1914: op en rond de Palingbeek

We spelen golf op en wel zeer historisch domein, zonder ons er echt goed bewust van te zijn. Samen met de Kemmelberg, Hill ‘60 en Polygoon is de Palingbeek een der belangrijkste oorlogstaferelen van de Ypres Salient. Uiteraard sprak men toen niet van de Palingbeek, doch van het kanaal Ieper-Komen, en ons clubhuis heette

White Chateau bij de Britten of Bayernschloss bij de Duitsers. Na zes keer ingenomen en weer verloren te zijn geweest, leek het ganse domein eerder op een maanlandschap dan op het prachtig golfterrein dat het nu is.

De "BLUFF". Op alle oorlogskaarten vindt men deze vreemde naam. Het was een kleine hoogte gelegen in het huidige provinciaal domein, enkele honderden meter van de ingestorte brug die beide oevers van het kanaal verbond, daar waar de weg loopt naar het restaurant van de Palingbeek. Deze brug was reeds voor de oorlog ingestort, want de grond hier liet niet toe een kanaal te bouwen.

Deze hoogte door de Britten "The Bluff“ genoemd door de Duitsers ”Grosse Bastion” vormde een uitstekende uitkijkpost voor de geallieerden Zoals trouwens de Hill 60 op slechts 900 m. daarvandaan. De Britten konden The Bluff in handen houden gedurende de eerste en tweede slag van Ieper ondanks eerste hevige aanvallen van de Duitsers.

Tot half februari 1916 de hele Bluff de lucht inging als gevolg van de ontploffing van een reusachtige dieptemijn die in alle stilte door de Duitsers onder de heuvel was ingegraven geworden. De slag was zo groot dat het lijk van ’n sergeant-majoor uit Suffolk ‘s anderendaags op 300 m. van de plaats werd teruggevonden. Een ooggetuige vertelt hoe hallucinant het schouwspel van de enorme krater was: op de hellingen van de krater zag men overal lijken, lijken die in de zeer grote vorstkoude vervroren waren. Op de kam van de krater zat nog een soldaat schijnbaar in gevechtspositie met geweer in de hand en heim op het hoofd, doch dood... De Britten waren vast besloten de Bluff weer in te nemen en achter het front werden gedurende drie weken de troepen in de sneeuw en de modder opgeleid. Ondertussen werd een verkenningstocht georganiseerd naar de krater en het was majoor Crosfield (Suffolk) met een korporaal en een soldaat die in de nacht (uiteraard) tot bij de krater slopen. Er waren geen speciale verdedigingswerken te herkennen, doch wel waren de Duitsers vanuit de krater een galerij aan te graven. Om 4.30 u. van de 6e maart 1916 volgt dan het bevel tot het heroveren van de Bluff wat ook gebeurde en de gevangenen genomen Wurtenbergers gaven toe verrast te zijn geweest door de stilte waarmee de Britten deze herovering hadden klaar gespeeld. De Bluff zou niet meer in Duitse handen vallen.

Doch hier willen we even dieper ingaan op een aspect van de grote oorlog die bij velen onbekend is nl. de oorlog onder de grond.

Het is juist in onze streek ten zuiden van Ieper dat deze ondergrondse oorlog in alle hevigheid heeft gewoed. Doordat het front blokvast zat, probeerden zowel de geallieerden als de Duitsers tot onder de loopgracht der eerste linies te komen en deze in de lucht te laten vliegen om aldus enige terreinwinst te kunnen boeken. Een heel netwerk van tunnels ontstond aldus en van beide zijden werd regelmatig binnengedrongen in andermans tunnel en ontploffingen tot stand gebracht. Voor deze taken waren speciale brigades opgericht bestaande uit mijnwerkers en specialisten met afluisterapparatuur om de werkzaamheden van de vijand ondergronds af te luisteren.

Men hoorde soms de vijand die ook aan het graven was !

Deze ondergrondse oorlog culmineerde in de ontploffing der 19 dieptemijnen van de slag van Mesen op 7 juni 1917.

U herinnert zich misschien nog het artikel van het herfstnummer ‘92, waar we reeds kort deze ontploffing van 7 juni ‘17 aan haalden. Het klinkt ongelooflijk maar het is waar : de kracht van deze ontploffing was dusdanig groot dat men het in Londen hoorde. Op het “War Office” zat men uiteraard gespannen te wachten tot de boodschap van het al of niet slagen van deze ontploffing zou gemeld worden, doch men wist het eerder dan de telegraaf het kon meiden.

Uiteraard was aan het leggen van deze mijnen op diepten van soms 30 meter een zeer grote voorbereiding voorafgegaan. Zo onder meer mocht men de blauwe uitgegraven klei niet zomaar deponeren aan de ingang van de galerij, want dit zou voor de vijand een te zichtbaar teken van de werkzaamheid zijn geweest. Deze klei moest dus verder worden gedragen en verspreid. Alles uiteraard met handarbeid en veelal onder vijandelijk vuur. Dan volgt het binnenbrengen van de ladingen, ook geen peulschil als men beseft dat alleen al in de mijn van Spanbroekmolen (even voorbij Wijtschate) maar liefst 91.000 pond mijnlading werd binnengebracht ! Het grootste gedeelte van deze ladingen was reeds in 1916 geplaatst wat betekende dat men gedurende een jaar lang de elektrische leidingen moest controleren na elk vijandelijk geschut. De talrijke schachten en galerijen waren voortdurend bemand want ook de vijand had zijn ”Mineure” die onder de grond aan het woelen waren met hetzelfde objectief. De totale lengte van de galerijen was meer dan 5.800 meter. De dichtst bij ons golfterrein gelegen mijn was die van Sint-Elooi die ook de diepste lading herbergde nl. op 38 m. diep. Hogerop lag dan de Caterpillar en de Hill 60 mijn.

interessant is het ooggetuigenrelaas van de Duitse luitenant von Kressenstein :

De 6e juni is een opvallend heldere dag. De Britten hameren met hun geschut afwisselend met korte en lange pauzes op onze schuilplaatsen. De bekende mijnenwerper spuwt nog meer dan gisteren. Wanneer de avond begint te vallen meldt zich een groep pioniers onder leiding van een officier, welke de opdracht hadden gekregen om een vijandelijke mijnengang te barricaderen. Een gevangen genomen Brit had hen verteld dat de volgende dag een aanval zou volgen na een mijnexplosie. Nog dezelfde nacht worden wij afgelost en trekken ons terug in de tweede linie. Om middernacht begeef ik mij naar buiten en luister gespannen naar de wederzijdse artilleriebedrijvigheid. Hoog in de lucht zoeken zware kalibers hun weg door het nachtelijk duister. Maar plotseling treedt een raadselachtige geheimzinnige stilte op. De Britten schijnen tevreden met het resultaat van hun beschieting. Slechts enkele lichtkogels schitteren aan de hemel en tekenen de omtrek van heuvel 60 en de omringende bosresten af. Met enige bezorgdheid leg ik mij te slapen tussen mijn reeds snurkende kameraden.

7 juni 1917, 3.10 u. in de morgen. De plunjers van de detonators worden naar beneden gedrukt nadat een lichtkogel met een scherpe knal door de ochtendschemering is opgestegen. Over een frontlijn van twaalf kilometer stijgen negentien reuze paddenstoelen ten hemel op. Slechts vijftien seconden verlopen tussen de eerste en de laatste explosie. Luitenant von Kressenstein verhaalt verder :

Een geweldige aardbeving, gevolgd door een onderaardse donderslag brengt mij echter snel te been. Boven heuvel 60 staat een machtige vuurzuil die wel honderd meter ten hemel reikt. Het wordt mij onmiddellijk duidelijk dat de Britse explosie heeft plaatsgevonden. Aarde en lucht trillen door de waanzinnige geluiden. Wij staren het akelige schouwspel aan maar zien slechts rook en vuurzuilen waardoor silhouetten naar voor komen.

Kommandant Mosi, hoofdman van het 1e bataljon van het 413e infanterie regiment beschrijft de explosie als volgt :

Een kolossale rook en stofwolk is over de heuvel zichtbaar. Grille blikken zuchten; gelijktijdig komt een ongehoord trommelvuur op de tweede stelling van het regiment in actie. De hel is op ons losgelaten. De aarde beeft, rookt en schijnt te barsten.Twee zware voltreffers na elkaar doen onze betonblok barsten en schijnen hem omver te werpen. Menig onderstand wordt uit zijn voegen gehesen en ondersteboven gedraaid of in puin geslagen. Met de aardmassa worden manschappen, machinegeweren en mijnwerpers de lucht ingeblazen, bomen versplinterd en met de wortels rondgeslingerd. De voorste steunpunten en het grootste gedeelte van mijn bataljon is in de ziedende bodem met het wapen in de hand weggezonken.

 

Een woordje nog over de fameuze Birdcage

Golfers hebben het dikwijls over hole 19, oudstrijders voor zover die er nog zijn, zouden het over mine 23 kunnen hebben, de niet-ontplofte dieptemijn van Ploegsteert. in totaal werden 23 dieptemijnen geplaatst, waarvan er twee voor de aanval reeds verloren gingen. De Birdcage mijnen, de meest zuidelijke dus, zullen niet tot ontploffing komen doch op 17 juli 1955 ontploft tijdens een hevig onweer een mijn langs de weg van Ploegsteertbos naar La Basse Ville. Het mysterie omtrent mine 23, de nog te ontploffen mijn, blijft dus open, doch men weet ongeveer waar deze zich bevindt. Het is hoogst waarschijnlijk dat de bouwgrond daar zeer goedkoop moet staan, een aanrader dus voor wie van spanning houdt en een zaakje wil doen !


V. Vervolgverhaal 1914: op en rond de Palingbeek

Weet U beste golfer, als U dit herfstnummer doorbladert, dat het precies 75 jaar geleden is, dat aan de grote oorlog een einde kwam. Grootse herdenkingsplechtigheden zullen her en der plaats vinden om deze belangrijke gebeurtenis te onderlijnen. Zo onder meer is een zeer bijzondere ’last post” gepland op 22 oktober waarop wijlen koning Boudewijn aanwezig zou geweest zijn. Of koning Albert II hieraan zal deelnemen is bij het ter persegaan nog niet geweten

Ons vervolgverhaal, beste golfer, kan ééntonig lijken. Vergeet echter niet dat het voor onze frontsoldaten ook een zeer ééntonig gedoe was, deze vastgelopen loopgrachtenoorlog. Hun dagelijkse ellende onder woorden brengen is onbeschrijflijk en dat er in de diverse legers tot muiterij kwam is niet verwonderlijk. Het groots opgezette plan van de doorbraak van 1917 (achteraf de derde slag van Ieper genoemd) was ook omwille van de groeiende mistevredenheid onder de soldaten, opgezet. Dat deze doorbraak in feite geen echte doorbraak geworden is, maar eerder een slachtpartij hebben we in vorige nummers uiteengezet.

We zijn nu eind 1917, het front is enkele kilometers verschoven en weer moet men zich gaan ingraven voor een nieuwe winter.

Weliswaar is de boog rond Ieper, de Ypres Salient, nu wat verder uitgerokken, doch verder dan Poelkapelle is men niet gekomen. Hollebeke blijft frontlijn, de hel van Passendale is voorbij en opnieuw is het weder zeer slecht geworden, en bereidt men zich voorop een vierde winter in de modder

De wintermaanden gaan betrekkelijk rustig voorbij, men kan zo aanvoelen dat er iets aan het broeden is. En inderdaad, nu dat Rusland in december 17 de wapenstilstand getekend heeft, heeft Duitsland slechts nog het westelijk front te bemannen Weldra beschikt de vijand over een numerieke meerderheid aan manschappen en materiaal en verandert ook hun tactiek. In plaats van steeds op het Iepers front te beuken zal men een tangbeweging uitvoeren en via Cambrai-St. Quentin door stoten naar de zee. Op 21 maart '18 barst uit 6.600 kanonnen en 3.500 mijnwerpers het grootste artillerievuur los uit de gehele grote oorlog. Dit duurt 5 uur lang, waarop de aanval wordt ingezet.

De Britten moeten zich terugtrekken, de Duitsers steken de Somme over en de instorting van het geallieerd front komt dichterbij. In volle overmoed beginnen de Duitsers nu hun doorbraakpoging ten zuiden van Ieper. De Casselberg valt in hun handen op 9 april 1918 en hierop begint een der grootste gevechten Uit de oorlog, nl. de slag om de Kemmelberg.

Armentières valt in Duitse handen, de Britten trekken zich terug uit het zo moeizaam veroverde Passendale, teneinde de frontlijn rond Ieper in te korten en aldus troepen vrij te maken voor de zuidelijke sector. Ook Zonnebeke en Beselare worden in alle stilte ontruimd, slechts de voorste linies blijven bemand, zodat de vijand onwetend zou blijven van de terugtrekking.

De verwachte grote aanval van de Duitsers laat echter op zich wachten en slechts op 20 april begint de aanval op Wijtschate. Op 25 april valt de Kemmelberg in Duitse handen en ook Zillebeke, het dorp dat in deze 4 jaren nooit door de Duitsers ingenomen kon worden !

Door de overbrenging van meer en meer Britten naar de zuidelijke sector moeten de Belgische troepen hun frontlinie verbreden tot Ieper.

Eindelijk komt de langverwachte bondgenoot uit Amerika de uitgeputte geallieerden ter hulp en onder het opperbevel van onze koning Albert I wordt het tegenoffensief op de gehele frontlijn in augustus ingezet. De Belgische 8e divisie trekt op vanuit Potijze, richting Zonnebeke, en het 2e Britse leger zuidwaarts van de Belgen. Eens te meer staan de hemelsluizen open en het te veroveren gebied is een grote modderpoel. Alles is zodanig verwoest dat men nauwelijks weet waar men zich bevindt. Het klinkt ongelooflijk maar waar, men herkent zelfs Bellewaarde vijver niet !! ! !

Men stoot op hevige weerstand rond het Polygoonbos doch onweerstaanbaar rukken de geallieerden op. Het Houthulstbos wordt weer ingenomen, de Belgen heroveren Oostende - Brugge - Torhout - Roeselare, terwijl de Britten Kortrijk weer innemen. Ondertussen zijn we half oktober voorbij en tegen 11 november heeft men de vijand al tot in Gent verjaagd. Eindelijk aanvaardt de Duitse legerleiding de nederlaag want op het thuisfront breekt op 7 november de revolutie uit, zoals dit een jaar te voor gebeurde in Rusland en dat verontrust de legerleiding nog meer dan de aanvallende geallieerden. Ondertussen zijn de keizer en de diverse nog regerende koningen afgetreden. Inderdaad verschillende Duitse deelstaten zijn nog koninkrijken…

Hiermee komt dan ook een einde aan dit vervolgverhaal, een opeenstapeling van lijden, ellende, dood. Mochten wij golfers, steeds indachtig zijn dat wij spelen op gewijde grond en de nagedachtenis in ere houden van de zovele gesneuvelden, zoals één hunner het zo uitdrukkelijk heeft gewenst in het beroemde gedicht 'in Flanders Fields’.

P.S. in deze gruwelijke 4 jaren sneuvelden ongeveer 8.700.000 mensen waarvan : 1.950.000 Duitsers,  1.300.000 Oostenrijkers-Hongaren,  1.400.000 Fransen en 690.000 Britten. Door de vernieling van de '14-’18 documenten in 1940 weet men nauwelijks hoeveel Belgische soldaten sneuvelden doch dit cijfer varieert tussen 28.000 en 40.000.

Het verhaal van John McCrae en zijn gedicht:

 

IN FLANDERS FIELDS

 

In Flanders Felds the poppies blow

Between the crosses, row on row.

That mark our place, and in the sky

The larks, still bravely singing, fly

Scarce heard amid the guns below.

 

We are the Dead. Short days ago

We lived, felt down, saw sunset glow,

Loved and were loved, anal now we lie

In Flanders Fields.

 

Take up our quarrel with the foe :

To you from failing hands we throw

The torch ; be Yours to hold it high,

If ye break faith with us who die

We shall not sleep, though poppies grow

In Flanders Fields

 

John McCRAE

3 mei 1915